SOORTEN ONDERZOEK

Histologie

Op de afdeling Histologie worden weefselstukjes bewerkt tot zeer dunne plakjes die door de patholoog microscopisch worden bekeken om tot een diagnose te komen. Dit materiaal wordt ingestuurd door specialisten en huisartsen. De weefselstukjes variëren van kleine biopten tot hele organen.
In principe wordt alles wat door een arts wordt verwijderd voor pathologisch onderzoek ingestuurd.

Het materiaal is of wordt gefixeerd in formaline en daarna neemt de patholoog op grond van de vraagstelling en/of standaard protocollen gericht materiaal hieruit. Deze stukjes worden in cassettes gedaan met een uniek nummer per inzending en deze worden in een zogenaamde 'tissueprocessor' ontwaterd en geïmpregneerd in vloeibare paraffine. Er worden dan paraffineblokjes van gemaakt en deze worden op een microtoom in 4 mu (0,004 mm) dunne plakjes gesneden, coupes geheten. Hierna worden deze coupes op een objectglaasje geplakt en na droging kunnen ze gekleurd worden.

Standaard worden de glaasjes HE gekleurd (Hematoxyline&Eosine), hierbij zijn allerlei details van de cel lichtmicroscopisch te onderscheiden. Naast deze HE-kleuring kan de patholoog nog andere kleuringen aanvragen die specifieke weefselbestanddelen aankleuren, zoals slijm, diverse vezelstructuren en pigmenten. Dit betreft conventionele kleuringen zoals o.a. PAS, Giemsa, Perls, Laguesse. Het is eveneens mogelijk om micro-organismen zoals bacteriën en schimmels aan te tonen. Het kunnen echter ook immunohistochemische kleuringen zijn, die worden uitgevoerd met antilichamen die binden aan bepaalde eiwitten. Op deze manier kan bv. bij uitzaaiingen de origine van een bepaalde tumor vastgesteld worden, zodat de patiënt de juiste behandeling kan krijgen.

Deze processen zijn gestandaardiseerd en worden volgens strenge kwaliteitseisen uitgevoerd.

Daarnaast kan de patholoog in de academische centra gebruik maken van moleculair biologische technieken (DNA/RNA) die nu nog te arbeidsintensief en te duur zijn voor algemeen diagnostische doeleinden. Enkele van deze bepalingen zijn in ons laboratorium beschikbaar dankzij kant en klare commerciële kits. Het laboratorium heeft de voorbije jaren investeringen gedaan in apparaten en opleiding om deze technieken te kunnen toepassen.

Cytologie

Op de afdeling Cytologie wordt celmateriaal verwerkt en microscopisch naar afwijkingen gezocht.

Het aangeboden materiaal wordt onderverdeeld in twee onderzoeken; het gynaecologische en het niet-gynaecologische. Het gynaecologisch onderzoek is verreweg het bekendst; het onderzoek naar baarmoederhalskanker( het 'uitstrijkje'). Dit gebeurt in het kader van bevolkingsonderzoek en op indicatieve basis( huisartsen en gynaecologen). Jaarlijks worden er ruim 13000 onderzoeken verricht, de meeste in het kader van het bevolkingsonderzoek.

Niet-gynaecologische cytologie is het verwerken en diagnosticeren van longspoelingen, urine, ascites, pleuravocht, schildklier, mamma, speekselklier, liquor en lymfklier. Dit materiaal wordt aangeboden door de specialisten uit de beide ziekenhuizen. Het wordt vaak via een scopie of punctie verkregen. Bij deze onderzoeken wordt ook gekeken of er kwaadaardige cellen en / of ontstekingen aanwezig zijn.

Het voordeel van cytologisch onderzoek t.o.v. histologisch onderzoek is dat het meestal op een voor de patiënt weinig belastende manier kan worden verkregen. Ook kan, indien nodig, het materiaal zeer snel worden beoordeeld. Een nadeel is dat de diagnostiek op cytologisch materiaal beperkingen kent. In dergelijke gevallen is dan alsnog histologisch onderzoek noodzakelijk.

Aanvullend kan zowel op gynaecologisch als niet-gynaecologisch materiaal ook immunologisch onderzoek worden verricht om cellen beter te kunnen typeren.

Vriescoupe

Een vriescoupe is een peroperatief onderzoek en wordt gemaakt door middel van bevriezing van een stukje weefsel dat vervolgens kan worden gesneden en gekleurd. Terwijl de patiënt onder narcose op de OK ligt wordt de diagnose vervolgens door de patholoog gesteld. Door de verbeterde diagnostische mogelijkheden voorafgaand aan de operatie maar ook door veranderde indicatiestelling en therapeutische richtlijnen worden er steeds minder vriescoupes uitgevoerd. Vriescoupes worden nu alleen nog uitgevoerd wanneer vóór operatie een diagnose onzeker is (bv. of een afwijking in de borst kwaadaardig is), wanneer een specialist tijdens de operatie iets onverwachts tegen komt en waarvan de diagnose bepaalt hoe de operatie nu verder moet, wanneer de uitslag van stagiëringsbiopten bepaalt of een operatie verder gaat, of wanneer een operateur wil weten of de verwijderde tumor radicaal verwijderd is om daarna eventueel nog meer weefsel te verwijderen. Vriescoupes zijn erg arbeidsintensief. Het stellen van een diagnose op vriescoupe materiaal is veel moeilijker dan op paraffine materiaal (zie ook het onderzoek) omdat het weefsel door de vriesprocedure opzwelt, moeilijker te snijden is en talrijke vriesartefacten vertoont.

Obductie

Onderstaande tekst is integraal overgenomen uit de voorlichtingsfolder Obductie, gericht aan de nabestaandenen is een uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP)

Informatie over obductie voor nabestaanden
U heeft deze folder gekregen omdat iemand die u liefheeft is overleden. De behandelend arts heeft u gevraagd of obductie verricht mag worden. Deze vraag roept vaak andere vragen op zoals: "Wat is eigenlijk een obductie? Wat gebeurt er dan precies?" De omstandigheden waarin verdriet of andere emoties overheersen, maken het soms moeilijk om met zulke wedervragen te komen, terwijl ze toch belangrijk zijn om te kunnen bepalen of u wel of niet toestemming zult verlenen. Deze folder is bedoeld om duidelijke antwoorden te geven op uw vragen en u te helpen bij uw besluit. Als u na het lezen nog vragen heeft, kunt u deze natuurlijk altijd stellen aan de arts. Hij of zij zal u helpen een beslissing te nemen waar u later geen spijt van heeft. In deze folder wordt uiteengezet waarom obductie belangrijk is en wat er bij dit onderzoek allemaal gebeurt. Neemt u de tijd om de informatie goed te lezen en spreek met de arts het tijdstip af waarop u uitsluitsel geeft over uw beslissing.

1. Wat is een obductie?
Obductie is een inwendig onderzoek op een overleden persoon. Het wordt ook wel een sectie, lijkopening of autopsie genoemd. Het onderzoek wordt verricht door een patholoog, een arts die gespecialiseerd is in deze vorm van onderzoek. Voordat de patholoog aan de obductie begint, onderzoekt hij het lichaam eerst uitgebreid van buiten: het uitwendig onderzoek.Een obductie, het inwendig onderzoek, is een vrij omvangrijk onderzoek, waarbij vrijwel alle organen van de overledene onderzocht worden. Een obductie is te vergelijken met een operatie en zal altijd op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er achteraf vrijwel niets meer van te zien is. Het onderzoek wordt uiteraard op een respectvolle wijze verricht. In geval van een natuurlijke dood moet aan de nabestaanden toestemming worden gevraagd. U kunt uw toestemming toespitsen op specifieke onderdelen (zie: 5. Hoe is de procedure?)

2. Waarom obductie?
Het meest gegeven antwoord op deze vraag is: "Om de doodsoorzaak vast te stellen." Een andere reden kan zijn om vast te stellen of de ziekte erfelijk of besmettelijk is. In het geval van een erfelijke ziekte kunnen bijvoorbeeld ouders van een overleden kind de informatie laten meespelen bij het krijgen van meer kinderen. Bij een besmettelijke ziekte moet actie worden ondernomen om eventueel besmette personen op te sporen en te onderzoeken.

Het is niet altijd duidelijk waaraan iemand precies is overleden. Nabestaanden en artsen willen vaak weten hoe het ziekteproces en de daaropvolgende dood precies verlopen zijn. De obductie is het hulpmiddel bij uitstek om goed te onderzoeken wat in de laatste levensfase met een patiënt is gebeurd en om achteraf te controleren of een medische behandeling juist is geweest. Dat zal niet meer van betekenis zijn voor de patiënt zelf, maar wel voor volgende patiënten, die kunnen profiteren van de lessen die van een obductie geleerd worden. De ervaring heeft geleerd dat ook bij patiënten waar het allemaal duidelijk leek, zich nog zaken kunnen voordoen die niemand had verwacht.

De informatie die een obductie oplevert helpt de artsen om kritisch naar de door hen ingestelde behandeling te kijken. Obductie is tevens van belang voor de wetenschap. Van veel ziekten is een groot deel van de kennis ontleend aan studies van obductiemateriaal.

3. Wat gebeurt er bij een obductie?
In het kort gezegd wordt bij een obductie het lichaam van een overledene geopend en worden de organen in het lichaam geïnspecteerd. Daarna worden ze over het algemeen één voor één uit het lichaam verwijderd, gewogen, en ook ingesneden om de binnenkant te kunnen inspecteren. Vervolgens wordt uit elk orgaan een klein stukje weefsel genomen om microscopisch te onderzoeken. Dat is belangrijk, omdat niet alle afwijkingen met het blote oog herkenbaar zijn. Daarna worden de organen teruggeplaatst in het lichaam, behalve de organen waarvan het onderzoek nog niet afgerond kan worden. Het lichaam wordt gesloten om vervolgens te worden overgedragen aan de begrafenisondernemer. Als de overledene voor een opbaring wordt aangekleed, is van de obductie niets meer te zien, behalve als bij kale mensen een schedellichting voor hersenonderzoek heeft plaatsgevonden. Als nabestaanden dit laatste bezwaarlijk vinden, kunnen zij dit bespreken met de arts. Er kan dan bijvoorbeeld een gedeeltelijke obductie plaatsvinden.In de meeste ziekenhuizen wordt voor hersenonderzoek apart toestemming gevraagd aan de nabestaanden. Dit is echter niet wettelijk verplicht. Mocht u bezwaar hebben tegen hersenonderzoek, dan kunt u dit aan de arts kenbaar maken.

4. Het bewaren van weefsel en organen
Er zijn omstandigheden waarin, naast de kleine stukjes weefsel voor het microscopisch onderzoek, één of meer organen - of delen daarvan - langer worden bewaard, bijvoorbeeld het hart of de hersenen. Een eerste reden kan zijn dat het orgaan heel klein is zodat het in zijn geheel voor het aanvullend microscopisch onderzoek moet worden meegenomen. Een tweede reden kan zijn dat het een ingewikkelde afwijking van het orgaan betreft die uitgebreider onderzoek, al dan niet in samenwerking met een expert, noodzakelijk maakt. Een derde reden kan zijn dat het weefsel of orgaan eerst bewerkt moet worden om tot onderzoek over te kunnen gaan. De bewerking kan enkele dagen en soms weken in beslag nemen. Voor hersenonderzoek bijvoorbeeld is een periode van zes tot twaalf weken nodig voor bewerking en beoordeling. Deze redenen maken het langer bewaren van de (delen van) organen noodzakelijk om tot een diagnose te kunnen komen. Een vierde reden om een (deel van een) orgaan te bewaren, is voor onderwijsdoeleinden. Als het orgaan op een treffende wijze een bepaalde ziekte illustreert, kan het een grote dienst bewijzen bij het onderwijs aan medische studenten, artsen en verpleegkundigen. Dit zal overigens zelden voorkomen.

Er zijn dus verschillende redenen om bepaalde (delen van) organen langer te bewaren. Deze weefsels of organen kunnen dan niet met de overledene mee begraven of gecremeerd worden, maar worden later alsnog gecremeerd door het ziekenhuis, behalve als ze bewaard blijven voor onderwijsdoeleinden. Het is belangrijk dat u zich dit realiseert. Als u hiertegen bezwaar heeft, kunt u dit kenbaar maken aan de arts. Als uw bezwaar ertoe leidt dat tijdens de obductie onvoldoende gegevens kunnen worden verkregen, dan zal de arts dit met u bespreken. U kunt dan in samenspraak tot een voor u aanvaardbare beslissing komen.

5. Hoe is de procedure?
De procedure begint met de vraag van de arts of obductie mag worden verrichten, het uitreiken van deze folder en bij u informeren of u nog vragen heeft. U als nabestaande bent degene die besluit of u toestemming verleent voor obductie. Besluit u geen toestemming te verlenen, dan wordt geen obductie verricht. Als u toestemming geeft wordt de overledene naar het mortuarium overgebracht en wordt binnen afzienbare tijd (meestal één werkdag) obductie verricht door een patholoog.

Mocht de periode voor obductie te lang duren, bijvoorbeeld bij overlijden in het weekend, dan kan daar in overleg een oplossing voor worden gevonden.Het hele onderzoek zoals hierboven beschreven neemt tussen de één en drie uur in beslag. Daarna haalt de begrafenisondernemer de overledene af voor de voorbereidingen voor opbaring en/of begrafenis of crematie. Over het algemeen doorkruist een obductie niet de officiële gang van zaken rond begrafenis of crematie.Na de obductie maakt de patholoog een verslag dat hij opstuurt naar de arts die de obductie heeft aangevraagd. Als u daar prijs op stelt maakt deze arts een afspraak met u om de bevindingen van de patholoog met u te bespreken. De afspraak hiervoor is meestal ruim een maand na de obductie zodat het verslag helemaal afgerond is. Als u dan nog vragen heeft, kunt u deze met de arts bespreken. Als het nodig mocht zijn, kan de arts weer contact opnemen met de patholoog voor nader overleg.

6. Uitzonderingen op deze procedure
Als iemand in een wilsbeschikking heeft laten opnemen dat hij/zij geen obductie wenst, als iemand een niet-natuurlijke dood is gestorven of als het in het belang van de volksgezondheid is een obductie uit te voeren, gelden andere procedures. Als de overledene geen obductie wenste, kunt u als nabestaande niet meer toestemmen in een obductie. Iemand die overlijdt na een ongeval, misdrijf of vermoeden daartoe, is een niet-natuurlijke dood gestorven en moet gezien worden door een gemeentelijke lijkschouwer. Deze beslist dan of gerechtelijke obductie verricht zal worden of dat het lichaam kan worden vrijgegeven. Een gerechtelijke obductie vindt plaats in geval van een misdrijf of het vermoeden daartoe en wordt verricht door een gerechtelijke patholoog. Voor een gerechtelijke obductie is toestemming van de familie niet vereist. Als het lichaam wordt vrijgegeven en nabestaanden of de arts willen precies weten wat er gebeurd is, kan een obductie plaatsvinden door de patholoog van het ziekenhuis. Hiervoor is altijd toestemming van de nabestaanden vereist. Een voorbeeld van obductie in het belang van de volksgezondheid is om te onderzoeken of een zeer besmettelijke ziekte heeft toegeslagen en hoe een epidemie kan worden voorkomen.

7. Is een obductie bij een kind hetzelfde als bij een volwassene?
In principe is de procedure bij kinderen hetzelfde als bij volwassenen. Soms wordt weefsel uitgenomen voor genetisch onderzoek. Dit is vooral belangrijk indien een kind tijdens de zwangerschap of rond de geboorte is overleden en er een uitspraak gedaan moet worden of een afwijking erfelijk is waardoor er een kans op herhaling is bij een volgende zwangerschap. Als het hele kleine kinderen betreft, zijn de organen uiteraard ook heel klein en zal het hele orgaan in plaats van een stukje weefsel microscopisch onderzocht moeten worden en zal iets eerder worden overgegaan tot het bewaren van de organen om ze op een later tijdstip beter te kunnen bekijken. Aangeboren afwijkingen bij kinderen zijn vaak complexer dan afwijkingen bij volwassenen en ze vereisen uitgebreider onderzoek.

Als u bezwaar heeft tegen het langer bewaren en niet mee begraven of cremeren van organen, kunt u dat kenbaar maken aan de arts en wordt met uw wensen rekening gehouden.

Uitgebreidere informatie over het verrichten van obducties bij kinderen kunt u lezen in de voorlichtingsbrochure Obductie; informatie voor ouders en hulpverleners over onderzoek na overlijden bij kinderen van de Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij erfelijke en/of aangeboren aandoeningen (VSOP), tel. (035) 602 85 55 of e-mail vsop@vsop.nlDeze brochure kunt u vragen aan de arts en is tevens verkrijgbaar bij het patiëntenservicebureau van het ziekenhuis.

8. Kan ik voorwaarden stellen?
Het kan gebeuren dat u wel toestemming wilt geven voor obductie, maar dat u bijvoorbeeld liever niet wilt dat organen bewaard worden of dat de hersenen uit de schedel gehaald worden voor nader onderzoek. Vaak wordt voor dit laatste al apart toestemming gevraagd hoewel dit niet verplicht is. Uw eventuele bezwaren kunt u kenbaar maken aan de arts die aan u toestemming voor obductie heeft gevraagd. Als uw bezwaar ertoe leidt dat de obductie onvoldoende gegevens zal opleveren, dan zal de arts dit met u bespreken. U kunt dan op basis van deze informatie nieuwe afwegingen maken voordat u een besluit neemt.De aanvragend arts zal bezwaren nooit naast zich neer (kunnen) leggen. Uiteindelijk bepalen de nabestaanden wat er gebeurt.

9. Vragen?
Als u nog vragen heeft kunt u deze bespreken met de arts in het ziekenhuis. Ook kunt u contact opnemen met het patiëntenservicebureau in het ziekenhuis.

Deze folder is een uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP). De folder is tot stand gekomen in samenwerking met de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF).